Onveilig werkklimaat onder artsen schaadt de zorg

De van bovenaf opgelegde taken, de ongelofelijke administratielast en IT systemen die de werkdruk alleen maar erger maken. Artsen laten het gebeuren, schreef Eric Topol, recent in zijn artikel in The New Yorker. De kern van het beroep, de arts-patiënt relatie, vervaagt naar de achtergrond stelt hij. Beslissingen over de geleverde zorg worden steeds vaker genomen door mensen die in hun carrière nog geen dag aan het bed van een patiënt hebben gestaan. Artsen zijn marionetten in een spel gerund door managers, politici, farmaceuten en zorgverzekeraars. Niet zo raar dat onderhand kampen met een burn-out epidemie onder artsen. Volgens een enquête van De Jonge Specialist kampt 1 op de 5 jonge artsen met burnoutklachten.

Topol vraagt zich af waarom artsen niet massaal op de barricade staan om belangrijke onderwerpen bespreekbaar te maken en pleit voor een vereniging van stemmen. Ik zie als arts & oprichter van De Jonge Dokter absoluut de meerwaarde van organisaties die artsen verenigt op basis van een gedeelde visie. Toch betwijfel ik of dit het probleem op gaat of kan lossen. Het probleem dat Topol beschrijft is mijns inziens een uiting op grote schaal van de dagelijkse praktijk: artsen spreken zich niet of nauwelijks uit. Ze werken volgens het motto ‘niet lullen maar poetsen’. Ze hebben niet de positie of ervaren niet de ruimte om met hum stem invloed uit te oefenen op de organisatie. Dit komt voort uit een dieperliggend en onderbelicht probleem in de kern van de organisatie, een tekort aan psychologische veiligheid. Psychologische veiligheid betekent, vrij vertaald, een gedeelde overtuiging onder teamleden dat het veilig is om interpersoonlijke risico’s te nemen met het vertrouwen dat teamleden je niet in verlegenheid zullen brengen, afwijzen of straffen wanneer je je uitspreekt.

“Ik zie absoluut de meerwaarde van organisaties die artsen verenigt op basis van een gedeelde visie. Toch betwijfel ik of dit het probleem op gaat of kan lossen.”

Psychologische veiligheid

Het tekort aan psychologische veiligheid zorgt er niet alleen voor dat artsen niet opstaan voor de dingen die zij willen veranderen (op hun afdeling of op grotere schaal), het heeft ook direct effect op effectiviteit van onze zorg. Zo bleek onlangs uit een onderzoek uitgevoerd door Google, ‘Project Aristotle’, dat psychologische veiligheid de factor is die het meest cruciale effect heeft op de effectiviteit van een team. Dit doet mij afvragen of de onderwerpen van debat, zoals werkdruk, de administratielast en burn-out, niet uitkomsten in plaats van oorzaken zijn van het probleem.

Het effect van een tekort aan psychologische veiligheid die mij het meeste zorgen baart is dat artsen niet durven vragen om wat zij nodig hebben om goed te kunnen functioneren. Dat heeft direct effect op de kwaliteit van zorg. Ik hoor bij de vergaderingen van De Jonge Dokter wekelijks verhalen die dit bevestigen.

Om welk been ging het ook alweer?

Zo sprak ik vorige week Anne. Zij werkt sinds vier weken als basisarts bij de neurologie in een groot ziekenhuis en draaide deze week haar eerste avonddiensten. Haar dienst, om vier uur begon en tot twaalf uur had moeten duren, liep uit tot drie uur ’s morgens. Hierdoor nam ze een Uber naar huis die ze uit eigen zak betaalde (40 euro). Dit overwerk aankaarten of de bon declareren bij haar supervisor durft ze niet. Daarnaast heeft de hectiek van zo’n nacht invloed op de kwaliteit van de geleverde zorg. Anne heeft haar patiënten niet allemaal met aandacht kunnen helpen, een structureel probleem dat aandacht verdient. Ze had maar kort de tijd en werd vaak tussendoor opgeroepen. De laatste uren van haar dienst en de uren erna heeft ze niet kunnen werken met de aandacht en focus die ze wilde.

Om heel eerlijk te zijn, zei ze, moest ze bij het typen van de status nadenken om welk been het ook alweer ging. Bovendien heeft het tekort aan slaap en ontspanning negatieve gevolgen voor haar fitheid en aandacht voor de volgende diensten. Dit vergroot de foutgevoeligheid én de patiëntonveiligheid. De wisseling van dag- en nachtdiensten en diensten die uitlopen is iets waar artsen aan gewend raken maar is eigenlijk natuurlijk niet normaal.

De baas in huis

Ik vraag Anne hoe dit volgens haar voorkomen had kunnen worden. Ze denkt kort na en zegt “Kijk, het zal zeker aan mijn efficiëntie hebben gelegen. Maar om deze dienst echt patiëntvriendelijk af te handelen, had ik mijn baas in huis moeten vragen.” ‘De baas in huis vragen’ betekent de dienstdoende supervisor die thuis is oproepen om naar het ziekenhuis te komen. “En dat ga ik echt no way doen. Dan liever doorgaan. Ik wil het goed doen, deze mensen hebben invloed op mijn kansen om in opleiding te komen tot neuroloog, dat is wat ik wil. Als blijkt dat ik niet eens een avonddienst in mijn eentje kan draaien, gooi ik mijn eigen glazen in,” vertelt Anne.

“Vragen om hulp wordt ervaren als synoniem voor ‘ik kan het niet’ en wordt daarom zo lang mogelijk uitgesteld.”

Dit is een schoolvoorbeeld van onnodige onmenselijkheid voor zowel de arts als de patiënt, veroorzaakt door suboptimale, inefficiënte zorg. Ja, werkdruk, IT-systemen en een tekort aan mankracht spelen mee. Maar het begint bij de ervaren psychologische onveiligheid die ervaren wordt door jonge dokters. Uit de interviews die voerde voor onderzoek naar “social support voor jonge artsen” en vele anekdotes destilleerde ik drie concrete voorbeelden waardoor Psychologische onveiligheid wordt veroorzaakt.

  1. Supervisors hebben dubbele rollen. Dat heeft zowel effect op de artsen die werken voor een opleidingsplaats tot specialist als de artsen die een stafpositie wensen. Dit zijn over het algemeen de artsen die het meest aan het bed van een patiënt staan. De werkvloer dient als ervarings- én selectiemethode. Vragen om hulp wordt ervaren als synoniem voor ‘ik kan het niet’ en wordt daarom zo lang mogelijk uitgesteld. Hierdoor gaat ‘geschikt bevonden worden’ boven ‘samen goede zorg durven leveren’.
  2. Als je maar lang genoeg werkt als arts word je vanzelf supervisor. Vanuit inhoudelijke kennis en ervaring is dat begrijpelijk, en idealiter betekent supervisie ook dat je goed leiderschap toont. Maar een goede dokter zijn betekent niet per definitie dat je ook een goede leider bent voor de mensen om je heen. Dit wordt ook wel de ’Peter Principle’ genoemd. Deze term beschrijft een fenomeen waar vrijwel elke grote organisatie mee kampt. Werknemers groeien automatisch door naar de volgende positie, omdat op dezelfde functie blijven geen optie is, tot ze op een positie komen waarin zij (een deel van de taken) niet meer goed uit kunnen voeren.
  3. Collega’s zijn competitie in deze wereld waarin het vechten is voor felbegeerde en schaarse plekken. Dit geldt voor zowel jonge artsen die vechten om een opleidingsplek als om medisch specialisten die hun plek binnen de vakgroep willen bemachtigen of hun rol willen beschermen. Dit is niet uitzonderlijk, het komt ook voor in andere sectoren dan de zorg en hoeft niet per definitie schadelijk te zijn. Echter gaat het in de zorg om levens in plaats van aandeelwaarde of groeipercentages. De zorg vraagt bij uitstek om de inbedding van een veilige werkcultuur waar het welzijn van de artsen voorop staat om hun zo goed mogelijk te faciliteren in hun werk.

Bovengenoemde punten vormen ook concrete aanknopingspunten om het probleem aan te pakken. Waarom leert niet elke arts in opleiding die supervisor wordt ook leiderschapskwaliteiten? Waarom krijgen niet alle jonge artsen voordat zij in opleiding gaan al intervisie, waarin ze openlijk leren praten over hun onzekerheden en angsten?

Zolang zij aan het overleven zijn, zijn wij als zorgsector aan het overleven en is het effectiviteitsdebat niet meer dan rommelen in de marge.

Anne, net als vrijwel alle andere artsen, werkt zich de benen uit het lijf. Het debat hierover blijft hangen op symptomen van het probleem, zoals werkdruk, elektronisch patiëntendossiers of de onmogelijke roosters door een tekort aan mankracht. Echter, zolang zij aan het overleven zijn, zijn wij als zorgsector aan het overleven en is het effectiviteitsdebat niet meer dan rommelen in de marge. Het voorbeeld van Anne is niet ‘slechts’ één avond in één ziekenhuis. Dit komt massaal voor, elke dag opnieuw. Anne is één van de duizenden artsen en andere zorgverleners die samen het gezicht van de zorg vormen. Door hen veilig te stellen, zijn patiënten dat ook.


Mia Wessels is oprichter van De Jonge Dokter.  Een stichting die een cultuuromslag teweeg wil brengen door het onbespreekbare bespreekbaar te maken en jonge dokters te verbinden. Zij hosten jaarlijks onder andere een ‘Foutenfestival’ om de taboe op fouten te doorbreken. Op 5 november neemt Mia deel aan het panel tijdens De Nationale Zorgdialoog.