De drie sociale risico’s van adaptief leren

Bij adaptief leren krijgen leerlingen via apps en software lesstof aangeboden die aansluit bij het niveau dat ze eerder hebben bereikt. De ontwikkeling van tools hiervoor gaat hard. Misschien wel te hard. Het is hoog tijd om drie sociale risico’s die er kleven aan adaptief leren te benoemen om te zorgen dat de inzet van deze tools op een verantwoorde manier gebeurt.

In potentie lijkt adaptief leren vele voordelen te bieden. Het is een vorm van gepersonaliseerd onderwijs waarbij leerlingen met digitale middelen lesstof krijgen aangereikt die aansluit bij hun niveau. Een leerling die ergens heel goed in is hoeft niet meer op de groep te wachten, maar kan op eigen snelheid verder. Andersom geldt dat ook: leerlingen die slecht mee kunnen komen raken niet gefrustreerd als ze in eigen tempo stappen kunnen maken. Ook gaan leerlingen zelf over hun leerproces en dat helpt hen om vaardigheden als plannen en monitoren te ontwikkelen.

Mocht de beloofde verbetering van het leerrendement via deze tools zich inderdaad bewijzen dan is het moeilijk om te zien hoe iemand er tegen kan zijn.

Ook leraren kunnen baat hebben bij adaptief leren. Ze krijgen beter inzicht in het leerproces en de vorderingen die leerlingen maken en ze kunnen inspelen op hun individuele behoeften. Door adaptief leren blijven dus zowel leraren als leerlingen maximaal gemotiveerd. Dit alles verklaart de aantrekkingskracht van adaptief leren. Mocht de beloofde verbetering van het leerrendement via deze tools zich inderdaad bewijzen dan is het moeilijk om te zien hoe iemand er tegen kan zijn.

Bij de opkomst van nieuwe technologische toepassingen zijn er echter altijd zowel positieve en negatieve gevolgen te bedenken waar een constructieve dialoog over gevoerd moet worden. In dit artikel zet ik drie sociale risico’s op een rij die de invoering van adaptief leren met zich mee brengt.

1. Prijs

Hightech onderwijs is duur en vraagt om grote investeringen. Rijke scholen, met doorgaans hoger opgeleide ouders, kunnen die investeringen doen, terwijl ‘arme’ scholen dat misschien niet kunnen. In recente rapporten van de Onderwijsinspectie en de OESO is gewezen op de toenemende kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs. Door de invoering van adaptief leren dreigt een verdieping van de kloof tussen hoger- en lager opgeleide milieus die reeds heeft geleid tot Kamervragen.

2. Student-comes-first benadering

Die versterkt de toch al grote nadruk op leren als een individueel en rationeel proces. De onuitgesproken eisen en verwachtingen van de gepersonaliseerde instructiecontext passen beter bij kinderen van hoger opgeleide ouders. Omdat het nivellerend effect van klassikaal onderwijs naar de achtergrond wordt gedreven gaat de ontwikkeling van leerlingen veel harder uiteen lopen met als gevolg meer ongelijkheid.

3. De mens verdwijnt in het leerproces

Leren is namelijk niet alleen een rationeel, maar ook een emotioneel en sociaal proces. Het heeft een ander effect op een kind als het door mensen, in plaats van door algoritmen, aangesproken wordt. In groepsonderwijs leren leerlingen van elkaar, imiteren ze taalgebruik en humor, kweken ze begrip voor andersdenkenden en krijgen ze mogelijkheden tot identificatie en betekenisgeving. Te sterk op het individu gericht onderwijs kan leiden tot ontwaarding van sociale competenties. Denk aan:

  • goed kunnen luisteren;
  • aandacht hebben voor andermans gevoelens;
  • feedback kunnen geven en ontvangen;
  • complimenten uitdelen;
  • conflictbeheersing;
  • tactvol kunnen optreden; en
  • een respectvolle omgang met elkaar.

Nadruk op het individu en op persoonlijk rendement staat zodoende ook haaks op het door velen, waaronder het Rathenau Instituut, zo belangrijk gevonden bijbrengen van digitaal technologisch burgerschap.

Deze sociale risico’s zijn minder direct zichtbaar dan andere zorgen die eerder zijn geuit in de discussie over adaptief leren, zoals de zorgen over de privacy van kinderen. Juist daarom moeten we het hier ook over hebben.

Adaptief leren omvat meer dan de inzet van didactische hulpmiddelen, het bepaalt namelijk ook het pedagogisch klimaat. Omdat de in dit stuk geuite sociale zorgen nauw samenhangen met de overkoepelende mentaliteit die uit de gepersonaliseerde leeromgeving spreekt, is het belangrijk om een scherp debat te voeren over de vraag hoe we de leeromgeving het beste kunnen inrichten. Dat kan wellicht heel goed met digitale ondersteuning, maar alleen als dat het sociale welzijn niet ondermijnt.


Bart Karstens houdt een kennissessie tijdens Toekomst van Onderwijs!

Bart Karstens in onderzoeker bij het Rathenau Instituut en doet onderzoek naar de digitale samenleving. Speciaal richt hij zich op digitalisering van, en AI toepassingen in, het onderwijs. Hij was als postdoc verbonden aan de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam waar hij onderzoek deed naar interdisciplinariteit en netwerkstructuren.

Op 12 november staat Bart op het podium van Toekomst van Onderwijs en geeft zijn visie over data in het klaslokaal: we denken vaak ‘meten=weten’, maar wat meet je precies, van wie is de data, wat gebeurt er met die data, en wat zijn eigenlijk de effecten?